Tag Archives: evolutie

Rare vogels: evolutionaire uilskuikens

Net als hun voorouders, de dinosauriërs, zijn vogels in één ding heel goed: uitsterven. Sinds 1500 zijn er al bijna 200 vogelsoorten uitgestorven. In dit tempo zijn er over 10.000 jaar geen vogels meer. De dino’s deden het weliswaar sneller, maar die hadden hulp van een meteoriet en dat is valsspelen.

Nou moet er natuurlijk toegegeven worden, dat de mens een redelijk actieve rol in dit gebeuren heeft gespeeld. Als de mens ergens goed in is, is het dieren uitroeien. Is de schuld nou helemaal op ons te schuiven? Niet precies. Vogels hebben zelf wel geholpen door zichzelf doodlopende evolutionaire paden in te evolueren.

Om te zien hoe groot een dodo nou was, een cavia ter referentie
Om te zien hoe groot een dodo nou was, een cavia ter referentie. (George Edwards 1760)

Er zijn verschillende soorten vogels die gevoeliger zijn voor uitsterven. Het helpt niet als je op een eiland woont, en al helemaal niet als je niet kan vliegen. Een van de bekendste voorbeelden hiervan is natuurlijk de dodo. De dodo leefde op Mauritius, een eiland ten oosten van Madagascar. Nederlandse zeelieden ontdekten het in 1598 en binnen 100 jaar was het beest uitgestorven.

De dodo hoefde niet eens lekker te smaken om door de zeelui gevangen te worden: een van de eerste namen die de vogel kreeg was walgvogel. Het is natuurlijk ook mogelijk dat de latere kolonisten en bezoekers van Mauritius gewoon betere koks waren. De dodo was niet alleen makkelijk te vangen, door het evolueren op een eiland zonder zoogdieren, was hij niet heel handig in het bewaken van z’n eieren tegen de door de westerlingen meegenomen ratten, katten en varkens. Dat de bossen van Mauritius grotendeels gekapt werden, hielp de soort ook niet echt mee.

Een soortgelijk verhaal met een iets vrolijker einde is te vertellen over de kakapo. Deze vogel is een van de grootste papegaaien, maar is net als de dodo door het wonen op een eiland, in dit geval de Nieuw-Zeelandse eilanden, zonder zoogdieren wat lui geworden. Vliegen doet de vogel niet meer, nesten worden gewoon op de grond gebouwd en 1 ei leggen per broedseizoen is genoeg. Allemaal prima zo lang hun belangrijkste vijand de Haasts arend was, een van de grootste roofvogels ooit. Deze arend was echter al uitgestorven sinds 1400 toen de Maori de moa uitroeide. (Ja, de vogelsoorten sneuvelen in bosjes als ze de mens tegenkomen).

De mao waren behoorlijk uit de kluiten gewassen struisvogelachtige vogels, geschikt voor een goede maaltijd voor de Haasts arend. Kakapo’s echter, waren niet veel meer dan een midnight snack, dus zonder de moa’s was het snel gedaan met de arend. De Kakapo ging echter door alsof de arenden nog dagelijks hun nesten leegplukten en hield de belangrijkste eigenschappen om zich tegen de arend te beschermen: ‘s nachts rondlopen, en overdag lekker stil zitten op je nest. Laat dit nou net niet handig zijn tegen hermelijnen.

Ergens in het gras zit een kakapo verstopt.
Ergens in het gras zit een kakapo verstopt. (copyright John Megahan)

Hermelijnen? Ja, die hadden de slimme westerlingen uitgezet om het konijnenoverschot aan te pakken. Konijnen? Er waren toch geen zoogdieren in Nieuw-Zeeland? Nee, niet tot de mens het konijn in het wild uitzette in de 19e eeuw. Ja, de mens is heel goed in de natuur beheren, we hebben er al eeuwen ervaring mee. Hermelijnen jagen niet per se met hun zicht, maar gebruiken vooral hun reukzin. Toch jammer voor de kakapo dat ze stinken.

Om er toch een goed einde aan te breien: op het vaste land van Nieuw-Zeeland is de kakapo  weliswaar uitgestorven, op een aantal kleine eilanden is het gelukt alle zoogdieren te verwijderen en kan de kakapo weer vrolijk in z’n eigen luie tempo aan de voortplanting werken. Dat gaat zo welvarend dat de soort van het dieptepunt van zo’n 50 vogels hersteld is tot meer dan 120.

Moraal van dit verhaal? Zorg dat je pas bijna uitgestorven bent als de mens inmiddels gelooft dat dieren kunnen uitsterven* en er dan ook iets aan doet. Of evolueer je wat minder in een onhandige niche.

* Pas eind 18e eeuw begonnen wetenschappers te geloven dat het mogelijk was dat dieren uitstierven. Voor die tijd geloofde men dat God een vast aantal diersoorten had geschapen: als een diersoort niet meer gesignaleerd werd in het wild, hield die zich vast ergens verstopt op een nog niet ontdekte plek.